
Lees hier een verkenning op basis van zes praktijkinterviews door Bozèna van Trigt (NRTO) & Marion Sieh (Platform Talent voor Technologie)
Publiek-private samenwerking (PPS) wordt vaak genoemd als essentieel voor de toekomst van het beroepsonderwijs en Leven Lang Ontwikkelen (LLO). Toch blijft de betrokkenheid van private opleiders in veel samenwerkingen beperkt. Hoe komt dat? En belangrijker: wat werkt wél in de praktijk? Samen met Marion Sieh (Platform Talent voor Technologie) gingen we op zoek naar antwoorden. Niet via een grootschalig onderzoek, maar via gesprekken met zes bestaande samenwerkingsverbanden tussen publieke en private opleiders in verschillende domeinen en regio’s. De gesprekken leverden geen blauwdruk op – maar wel duidelijke patronen.
Waarom deze verkenning?
In 2023 viel ons iets op: ondanks alle ambities rond LLO en publiek-private samenwerking participeren private opleiders relatief weinig als volwaardige partner in PPS-constructies. Dat is opvallend, omdat juist zij flexibiliteit, sectorspecifieke expertise en directe aansluiting op de arbeidsmarkt meebrengen. Tegelijkertijd zien we dat LLO-initiatieven vanuit het bekostigde onderwijs vaak moeilijk opschalen. De vraag dringt zich dan op: ligt hier juist een kans voor sterkere publiek-private complementariteit? Deze verkenning was bedoeld om inspiratie op te halen uit bestaande praktijken — en vooral om te begrijpen waar samenwerking schuurt én waar zij werkt.
Onderzoek als open gesprek
We spraken zes samenwerkingen verspreid door Nederland. Het ging nadrukkelijk om een verkennende analyse: open gesprekken over dynamiek, verwachtingen en ervaringen in de samenwerking. Als analytische kapstok gebruikten we het samenwerkingsmodel van Emerson, waarin drie elementen centraal staan:
- Een gedeelde werkelijkheid,
- Onderling vertrouwen,
- En capaciteit om gezamenlijk te handelen.
Een belangrijke les uit dat model werd meteen zichtbaar: als één van deze elementen ontbreekt, komt samenwerking nauwelijks van de grond.
Samenwerking ontstaat zelden vanzelf
Een eerste opvallende patroon: vrijwel elke succesvolle samenwerking begon met een externe katalysator. Dat kon zijn:
- Een werkgever met een urgente vraag,
- Een sectororganisatie,
- Of een regionale partij met bestuurlijk gewicht.
Die externe impuls creëert urgentie. Zonder duidelijke aanleiding blijven partijen elkaar wel vinden in gesprekken, maar ontstaat zelden structurele samenwerking.
Vertrouwen helpt – duidelijkheid is doorslaggevend
In alle gesprekken kwamen dezelfde randvoorwaarden terug:
- Transparantie over belangen;
- Heldere afspraken over rollen en financiën;
- Korte lijnen tussen bestuur en uitvoering;
- Inzicht in elkaars verwachtingen.
Vooral voor private opleiders – vaak organisaties van twee tot tien medewerkers – is voorspelbaarheid essentieel. Investeren in samenwerking betekent direct investeren in schaarse capaciteit. Onduidelijkheid over besluitvorming of businesscase maakt deelname risicovol. Samenwerking vraagt dus niet alleen vertrouwen, maar ook structuur.
Van co-makership naar wederzijdse afhankelijkheid
Misschien wel het belangrijkste inzicht uit de gesprekken gaat over de aard van samenwerking zelf. Publiek-private samenwerking wordt vaak beschreven als co-makership: samen iets ontwikkelen. In de praktijk zagen we echter dat duurzame samenwerkingen daarnaast nog iets anders veronderstellen:
- Succesvolle PPS’en kenmerken zich door wederzijdse afhankelijkheid.
- Partijen brengen complementaire kwaliteiten in:
- Publieke instellingen beschikken over infrastructuur en studenten,
- Private opleiders over flexibiliteit, specialistische expertise en verbinding met het werkveld.
Wanneer een gezamenlijk opgezet scholingstraject ook zonder één van de partners kan doorgaan, blijft zij vaak projectmatig. Wanneer partijen elkaar nodig hebben om te functioneren, ontstaat structurele samenwerking.
Wanneer wordt PPS publiek-privaat onderwijs duurzaam?
Uit de interviews kwamen vier terugkerende voorwaarden naar voren:
- 1. Een gedeelde opgave
Samenwerking werkt wanneer partijen hetzelfde probleem voor ogen hebben en dat willen oplossen — niet alleen samen een project uitvoeren. - 2. Gedeelde besluitvorming
Niet: publiek bepaalt (als hier bijvoorbeeld het penvoerderschap van een subsidieregeling ligt) en privaat voert uit. Wel: partners sturen gezamenlijk. - 3. Partnerschap in plaats van inkoop
Zolang de relatie voelt als opdrachtgever–opdrachtnemer, blijft samenwerking aan de rand van het systeem en raakt het niet de kern van de gezamenlijke LLO-propositie. - 4. Een systeem dat samenwerking ondersteunt
Regels, financiering en beleid bepalen uiteindelijk hoeveel ruimte er is om echt samen te werken. Als partijen structureel concurreren, wordt samenwerking moeilijk — ongeacht goede intenties.
Samenwerking als keuze – of als noodzaak?
Onder alle gesprekken lag uiteindelijk één grotere vraag: Is publiek-private samenwerking een keuze, of wordt zij een noodzaak? Voor innovatieve projecten kan samenwerking optioneel zijn. Maar voor Leven Lang Ontwikkelen lijkt zij steeds meer een structurele voorwaarde. De arbeidsmarkt vraagt flexibiliteit, maatwerk en voortdurende ontwikkeling. Geen enkele partij kan dat alleen organiseren. Publieke en private opleiders vervullen verschillende rollen – juist daarin ligt hun gezamenlijke kracht.
De belangrijkste les uit deze verkenning is misschien eenvoudig: Publiek-private samenwerking werkt pas echt wanneer partijen niet alleen willen samenwerken, maar elkaar nodig hebben.
Tot slot
Samenwerking ontstaat zelden vanzelf. Maar wanneer urgentie, wederkerigheid en gedeeld eigenaarschap samenkomen, kan PPS uitgroeien van project naar systeem. En precies daar ligt de volgende stap voor Leven Lang Ontwikkelen.